De afgelopen dagen lag er een appeltje op onze eettafel. Hoewel je het er niet meteen van afzag, was het een Heel Bijzonder Appeltje. Het was namelijk het enige appeltje van onze appelboom dat tot volle wasdom is gekomen. Waar de andere zes er ergens tussen het voorjaar en nu de brui aan gaven, stopten met groeien, zich vroegtijdig op de grond lieten vallen of ten prooi vielen aan ongedierte, daar hield dit appeltje moedig stand. Enigszins verscholen tussen de bladeren werd hij stilletjes groter, kleurde groen met een rode blos en hield zich vogelsnavels en insectenbekken van het lijf.
Vraag me niet hoe, maar hij deed het.

De afgelopen weken voelde ik elke keer dat ik op de tuin was of hij al van plan was om zich los te laten. Zoals ik het gelezen en geleerd had: optillen en voorzichtig draaien. Om als ik weerstand voelde, meteen te stoppen. Al die tijd verzette het appeltje zich. Tot dit weekend. Ik tilde, ik draaide en – knap. Of nee, eigenlijk zei het steeltje helemaal geen knap: het appeltje lag gewoon opeens in mijn hand.

Maar wat doe je met zo’n bijzonder appeltje. Dat was een vraag waarover wij ons hier in huis vijf dagen lang het hoofd hebben gebroken. Je kunt hem toch moeilijk in het voorbijgaan langs je mouw wrijven en je tanden erin zetten. Maar laten liggen tot-ie rimpelt zou ook een gotspe zijn. Ik legde hem in ieder geval niet tussen zijn soortgenoten op de fruitschaal, want stel je voor dat ik me zou vergissen. Iets bijzonders ermee maken? Een mooi dessert om plechtig op te dienen? Dat zou mooi zijn, ja. Maar wat maak je van één niet eens zo heel groot appeltje.

Het lag daar. En wij bewonderden hem. Vijf dagen lang. Soms pakten we hem op om hem in ons hand te voelen. Streken met een vinger over zijn gave schil en legden hem dan weer voorzichtig neer. Op zijn plek naast de fruitschaal.

Tot vandaag. Vanmiddag. Om vier uur. Toen pakte ik het appeltje, sneed het in vieren, schilde de kwarten, ontdeed ze van het klokhuis en legde de vier partjes op een bordje. Ik bracht ze naar boven, naar de kamer van onze zoon en riep mijn vrouw erbij. ‘Het appeltje,’ zei ik en presenteerde hun het bordje.

We zaten naast elkaar op het bed, mijn vrouw en ik. Zoonlief zat aan zijn bureau. We beten, hapten, kauwden en proefden. Ik zou kunnen en willen zeggen dat hij hemels smaakte, maar dat deed-ie niet. Het was een lekker appeltje, daar niet van. Beetje zurig, vond mijn vrouw – en dat was-ie ook. Ons appeltje.

En toen was het vijf over vier en de dag hernam zijn gang.

Wil je reageren? Leuk!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s