Madame Bovary c’est moi, schijnt Gustave Flaubert een keer te hebben gezegd. Zo is het met een tuin ook. Maar dan anders.

Ik merkte dat dit voorjaar. Er gebeurt iets opmerkelijks bij de wisselingen in het lenteweer. Als de temperaturen laag zijn, voel je niet alleen je eigen koude, maar ook die van de grond. Je voelt de huiver van de zaadjes, de worteltjes die terugdeinzen als het koude regenwater hen raakt, de geseling van de blaadjes door de wind. Als het te lang achter elkaar regent voel je het snotteren van de tere pootaardappeltjes, hun hoesten en proesten, koude voeten, natte neus. Maar je voelt ook de zon die niet alleen jouw huid, maar ook de aarde warmt. Je voelt hoe zaailingen zich koesteren in de zon, zich uitstrekken, de blaadjes uitvouwen om zoveel mogelijk warmte op te vangen. Je vereenzelvigt je met het welzijn van de zaadjes, hun opwarmen, kiemen, de tere worteltjes, het steeltje dat de aardkorst doorboort en zijn antennetje uitvouwt. Kortom, de tuin wordt je lichaam, een verlengstuk van je lichaam, of je lichaam een verlengstuk van de tuin. Met name in het voorjaar.

Maar er is nog iets anders. Mijn overbuurvrouw aan de andere kant van het pad, Toos, achtenzeventig, zei laatst hoe ze mijn tuin bewonderde. Prachtig vond ze hem, al zo vroeg in het jaar al helemaal aan kant, zo keurig en moet je die van mij zien. Ik zou het niet kunnen, voegde ze eraan toe. Ze pauzeerde even en zei toen: Elke tuin heeft een karakter, het karakter van zijn eigenaar.

Ze heeft gelijk. Mijn tuin, dat ben ik. Strak gecomponeerd. Geen ruimte voor improvisatie. Niet saai, dat niet. Wel ambitieus. Getekend door het streven naar perfectie. Zo is elke tuin hier op het complex op zijn baasje gaan lijken. Of het baasje op zijn tuin. Er is een man met het voorkomen van een gepensioneerde leraar Duits. Zoals Wim de Bie die altijd zo mooi speelde, compleet met grijs ringbaardje. Hij heeft een tuin van rijtjes. Hier de derde naamval, aus, ausser, bei, mit, nach, seit, von, zu, daar de vierde, durch, für, ohne, um, bis, gegen. Er is de chaotische tuin, die van de levensgenieter, de stille, de afwezige, de grijze muis, en iemand die altijd met dezelfde vierkante millimeter bezig is.

De tuin van Toos zou ik gezellig willen noemen. Warm. Intiem. Of een smaakvol rommeltje. En eigenlijk zou ik ook best zo’n tuin willen hebben. Met groenten en bloemen door elkaar. Hier geurende rozen, daar klimmende bonen. Vol bonte kleuren, wolken lathyrus en woekerende pompoenen. Een cottagetuin van een oma bij wie je thee gaat drinken. Met koekjes erbij. Maar zo ben ik niet. Ik ben geen gezellige oma. Ik zou het wel willen, lijkt me heerlijk, maar ik kan het niet. En dus is mijn tuin ook niet zo.

Maar hij is wel mooi, hoor, zegt Toos, ik ben er jaloers op, ook al zou ik het zelf niet kunnen.
Wij zijn onze tuin, in lichaam en in geest. Mon jardin, c’est moi.

Zoiets, maar dan anders.

Wil je reageren? Leuk!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s