Na het typen van de titel van dit stukje haalde ik even mijn handen van het toetsenbord, leunde achterover en keek tevreden naar de twee woorden die op mijn beeldscherm prijkten. De boomgaard. Dat staat goed. En voelt nog beter. Een beetje als een grootgrondbezitter. Een landgoedeigenaar. Als in een wit linnen pak een wandeling over mijn domein maken. Als hoogstamfruitbomen met wolken wit-roze bloesem. Als karrenvrachten fruit en planken met potten jam en chutney.

Maar goed, de boomgaard dus. De anderhalve meter brede strook grond aan de rechterzijde van mijn tuin. Langs het hekje, waarachter een met riet begroeide wallenkant en een sloot ligt. We gaan naar Boskoop, vrouwlief en ik. Ik heb via Fruitbomen.net bij kwekerij Houweling een appel-, peren- en pruimenboom besteld. Plus een doornloze Loganberry en een rabarber.
‘Past het wel in onze auto?’ vraagt ze als we halverwege Amstelveen en Boskoop zijn.
Ik kijk achter mij naar de achterbank. We hebben nu niet bepaald een grote auto. Maar zo groot zullen die boompjes toch niet zijn? Ik heb laagstam fruitbomen gekocht, in pot, die volgens de website ongeveer net zo groot zijn als ik. In gedachten ga ik languit achterin liggen. Voor mijn gevoel rusten mijn voeten op de handrem.
‘Jawel,’ zeg ik, ‘dat moet lukken.’

Uiteindelijk lukt het ook wel, maar veel scheelt het niet. Mijn vrouw rijdt, zoals ze altijd doet, en ik zit achterin. Ik kijk naar de stammetjes die ik stevig en teder op hun plaats houdt. Streel met mijn blik de breekbare takken en blaadjes. Vruchten dragen ze nog niet, nee, maar mooi zijn ze wel. Op het volkstuinencomplex aangekomen rijden we ze in een kruiwagen naar onze tuin en zetten ze in de grond. Daar staan ze, met z’n drieën op een rij. Links de pruim, een Reine Victoria, rechts de appel, een Elstar, en de peer, een Conference, in het midden. Daarachter tegen het hekje zet ik de Loganberry en een framboos die ik vanuit een ander hoekje van de tuin naar de boomgaard verplaats. Het begint wat te worden!

De secretaris van de vereniging komt nog wat papieren brengen. Ik laat hem mijn fruitbomen zien.
‘Een peer?’ zegt hij. Hij haalt zijn schouders op. ‘Die doen het hier niet. Komt door de coniferen. Daar kunnen ze niet tegen. Ik heb het zelf ook wel eens met een geprobeerd, maar je moet minstens tweehonderd meter van zo’n conifeer afzitten. En nou ja..’ Hij maakt een gebaar naar de volkstuinen aan de overkant van de sloot. ‘Je ziet het zelf.’
Ik zie het inderdaad zelf. Alle tuinen, zover het oog strekt, staan vol met coniferen.
‘Misschien dat jij een ander soort hebt en dat-ie het bij jou wel doet,’ probeert de man bij het zien van de ontreddering op mijn gezicht. Ik knik. ‘Misschien heb je geluk.’

Thuisgekomen googel ik op ‘perenbomen ziekte coniferen’. Het blijkt te gaan om perenroest, een schimmelziekte waarbij de schimmel overwintert in de juniperus, onze jeneverbes. Na de winter maakt de schimmel sporen aan en die verplaatsen zich door de lucht en belanden zo op de perenboom. Veel aan te doen is er niet, behalve dan de jeneverbes verwijderen. Ik denk niet dat ik daar de harten van mijn medetuiniers mee win.

Maar niet elke conifeer is een jeneverbes, toch? We zullen wel zien.

 

Wil je reageren? Leuk!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s